Jeu de Boules

Petanque, beter bekend onder de naam "Jeu de Boules", tegenwoordig in Nederland een bekende sport en vrijetijdsbesteding.

Het Petangue is ontstaan uit het eeuwenoude "Jeu de Provençaal", een van de Franse balspelen, waarbij gespeeld wordt vanuit een werpcirkel. Daarmee lijkt de huidige versie het meest op dat vroegere spel.

JEU DE BOULES is een teamsport voor alle leeftijden!

Jong en oud, mannen en vrouwen kunnen er aan deelnemen. Er wordt gespeeld met twee tegen elkaar uitkomende teams.

De Teams kunnen bestaan uit:

Een speler tegen een speler. Elke speler speelt met 3 boules.

Dat heet Tête-à-Tête.

Twee spelers tegen twee spelers, elke met drie boules.

Deze spelvorm heet Doublette.

Drie spelers tegen drie spelers. Ieder speelt met twee boules.

Dit noemt men Triplette.

Spelmateriaal:

Voor het spel heeft men nodig een set van drie stalen boules en een houten, kunststof "BUT"van 25 tot 35 mm doorsnee.

De diameter van de boules mag variëren van 70,5 tot 80,0 mm. Het gewicht ligt tussen de 650 en 800 gram.

Let wel: Bij wedstrijden en toernooien, waarvoor een wedstrijdlicentie nodig is kan men alleen met goedgekeurde Boules en buts meespelen.

Hoe wordt het gespeeld?

Een wedstrijd of partij is onderverdeeld in werpronden. Een werpronde duurt net zo lang totdat alle boules van beide teams zijn gespeeld. Dan worden de dichts bijzijnde boules van één equipe, bij het but geteld

Een partij begint altijd met de toss. Het team dat de toss wint, speelt als eerste en bepaalt waar er gespeeld gaat worden.

Eén van de spelers van het team dat de toss heeft gewonnen trekt op een door hem of haar uitgekozen plek een cirkel tussen de 35 en 50 cm doorsnede. Vanuit die werpcirkel wordt het but gegooid tussen de 6 en 10 meter. Dit mag 3x worden geprobeerd. Daarna mag de tegenstander uitgooien. Maar de winnaar van de toss gooit de eerste boule. Daarbij moeten beide voeten op de grond, in de cirkel blijven staan, en pas wanneer de boule op de grond is neergekomen mag men de cirkel verlaten.

De speler die het spel opent, probeert in de regel zijn boule zo dicht mogelijk bij het but te plaatsen/pointeren.

Als de eerste speler van team A 1 boule heeft gespeeld, is het aan een speler van team B om te proberen zijn/haar boule dichter bij het but te plaatsen dan de eerst geworpen boule. Wanneer dat inderdaad lukt, is het aan team A om te spelen. Lukt dit echter niet dan is het aan de spelers van team B om zo vaak te werpen totdat de boule van team A is verbeterd.

Het is toegestaan om een boule van de tegenstander weg te schieten/tireren : het allermooiste is dan als je eigen boule op de plaats van de geraakte boule blijft liggen. Zo'n meester-worp wordt carreau genoemd.

Ook kan het but worden weggeschoten.

Als alle boules van beide teams zijn gespeeld, wordt er gekeken hoeveel boules "er op punt" liggen: minimaal 1 en maximaal 6.

Een partij is afgelopen wanneer één van de teams dertien punten heeft gescoord.

(gedeeltelijke overname uit "Pétanque in een notendop", door Jac Verheul, in een uitgave van de NJBB)

Zowel voor het plaatsen/pointeren als voor het schieten/tireren zijn er verschillende technieken aan te leren, en tijdens het spel kan men een tactiek te bedenken: oefening baart kunst!

 Foto's: ClicKrick